Welcome to SEKEM Scandinavia.com - SEKEM Circle

Het geheim van de watermeloen

Een Egyptische sprookje, overgeleverd door Maissara Abla, in het Duits vertaald en bewerkt door Margreth Lewerenz, uit het Duits vertaald door Hendrik Jan Bakker. Dit is een van de sprookjes die in de omgeving van SEKEM zijn opgetekend.
 
Er waren eens een man en een vrouw die al vele jaren getrouwd waren, maar al die jaren kregen ze maar geen kindje.
Ze bezaten een akker die ze verzorgden en ze leefden van wat daarop groeide. Iedere morgen ging de man naar het veld en bewerkte de akker.
's Middags bereidde de vrouw het eten, wikkelde het in een doek, nam een waterkruik op haar hoofd en ging ermee naar haar man.
Zo kwamen en gingen de dagen en de jaren, de vrouw werd ouder en raakte sneller vermoeid.
Op een dag zag ze haar buurman met twee watermeloenen in zijn arm op zijn ezel voorbij rijden.
Toen fluisterde de vrouw voor zich uit: "Lieve God, je hebt me tot op de dag van vandaag geen kinderen gegeven. Schenk me toch een kind of troost me tenminste met zo'n watermeloen om mij gezelschap te houden en mij het hart te verlichten als ik hem bekijk en aanraak."
De dagen vergingen zonder dat er iets gebeurde.
 
Maar na lange tijd verhoorde God haar gebed en schonk haar – een watermeloen.
Hoe de watermeloen bij de vrouw kwam, is ons niet bekend.
Willen jullie weten waar ze hem gevonden heeft?
Wel, toen ze op een dag van de akker kwam, ontdekte ze de watermeloen onder haar bed.
De vrouw bekeek hem blij en zei "God zij geprezen!"
Toen ze de watermeloen in haar hand woog, voelde ze dat hij nog hard was en nog niet gegeten kon worden.
Daarom besloot ze af te wachten tot de watermeloen rijp was om hem dan met haar man te delen.
 
In de loop van de tijd begon de vrouw steeds meer van haar watermeloen te houden.
En iedere dag voordat ze naar haar man op de akker ging, nam ze de watermeloen in haar armen, streelde hem en zei: "O mijn meloen, mijn lieveling, pas goed op ons huis. O mijn meloen, mijn lieveling, hoed je voor onze buren."
 
Zo ging de tijd voorbij. Maar op een dag toen de vrouw van de akker thuis kwam, vond ze het huis schoon en opgeruimd terug.
Het eten was gekookt, de was gedaan en de waterkruik was gevuld. Ook alle andere karweitjes waren gedaan.
Ze zei bij zichzelf dat haar buurvrouw Oem Mohammed dat wel gedaan zou hebben en ze besloot haar op te zoeken om haar te bedanken.
 
De volgende dag ging de vrouw naar de akker, oogstte wat groente om aan haar buurvrouw te geven en ging op weg.
"God groet u Oem Mohammed" zei de vrouw tegen haar buurvrouw. En Oem Mohammed antwoordde: "God groet u ook, zuster, wees welkom!"
En de vrouw ging verder: "Ik ben gekomen om je voor al het werk te bedanken dat je gisteren in mijn huis gedaan hebt. Daarom heb ik wat verse groenten voor je meegebracht. God zegene je daarvoor!"
Daarop antwoordde Oem Mohammed: "Maar waarom, mijn zuster? Ik heb toch helemaal niets gedaan? Ik zweer bij de naam van onze Profeet dat ik in jouw huis niets heb aangeraakt. Maar de groente neem ik graag aan en ik bedank je er hartelijk voor."
 
Toen de vrouw daarna weer thuis kwam, vond ze het huis net als de vorige dag weer helemaal netjes. De vloer was geveegd, de was gedaan, het eten gekookt. Alles was tot in de puntjes verzorgd.
De vrouw vroeg zich af: "Was het misschien Oem Ibrahiem?" Dat was een andere buurvrouw. Dus ging ze naar Oem Ibrahiem en hoorde van haar dat ook die niet in haar huis was geweest.
 
Daarna begon de vrouw het vermoeden te krijgen dat de watermeloen een geheim in zich droeg.
En inderdaad was het zo, dat zich in het binnenste van de meloen een mooi jong meisje verborgen hield dat door de schil naar buiten kon komen om het huiswerk te doen en dan weer door de schil naar binnen kroop voordat er iemand thuis kwam. Ja, ik zeg jullie, zo was het werkelijk. En het mooie jonge meisje in de watermeloen was er gelukkig en tevreden mee.
 
Maar op een dag had ze geen geluk, maar enorme pech.
Zoals gewoonlijk ging ze 's morgens naar de dorpsput om de kruik met water te vullen. Maar toen ze net met de volle kruik op haar hoofd van de bron naar huis terug ging, ontmoette ze een jonge ruiter die haastig en onvoorzichtig voorbij reed en met zijn stok de waterkruik raakte. De kruik viel van haar hoofd op de grond en brak in duizend scherven uiteen.
Het meisje wendde zich verdrietig af en huilde. De tranen liepen haar als parels over de wangen.
De jonge man kreeg spijt en wendde de teugel om zich bij het meisje te verontschuldigen.
Toen hij haar aansprak, kreeg hij geen antwoord. Ze liep verder naar huis en bleef niet staan, hoewel de jonge man haar daarom vroeg, omdat hij met haar spreken wilde.
Maar ze wilde hem niet aanhoren.
Ten slotte probeerde hij haar in het huis te volgen, maar ze deed snel de deur dicht en kroop weer terug in de watermeloen.
De jonge man bleef voor de huisdeur zitten en wachtte.
Toen kwamen de man en de vrouw eindelijk van het veld terug.
Hij sprak ze aan en verontschuldigde zich met de woorden: "Het spijt me erg, door mijn schuld is de waterkruik die uw dochter op haar hoofd droeg kapot gevallen. Het was niet met opzet, het gebeurde uit onoplettendheid.
Vergeef mij alstublieft. En om het goed te maken, ben ik graag bereid om met uw dochter te trouwen." Het meisje beviel hem namelijk zeer. Toen antwoordden de oude mensen: "O jonge man, wij zweren bij God, wij hebben geen dochter!"
Hij zei: "Maar dat is niet mogelijk! Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe ze hier naartoe liep en het huis binnentrad!"
Daarop zei de vrouw: "Als je ons niet gelooft, kom dan maar zelf naar binnen om haar te zoeken."
Dat deed de jonge man maar niet, maar hij reed ervandoor.
Maar de gedachte dat er in dit huis een mooi jong meisje moest wonen liet hem niet los en daarom besloot hij, het huis in de gaten te houden.
 
Het meisje leefde verder zoals eerst: ze verliet iedere dag haar meloen, deed het huiswerk en bij zonsopgang haalde ze water.
Daarna nam ze een zak, kroop weer in de watermeloen en maakte zich op weg naar de tuin van de jonge prins, die haar kruik had gebroken.
Deze tuin stond vol hoge bomen die de prachtigste vruchten droegen.
Hij had meerdere poorten en iedere poort werd door een poortwachter bewaakt.
Het meisje rolde in haar meloen vooruit en schoof daarbij de zak met zich mee totdat ze een van de poorten bereikte.
Toen zie ze tegen de poortwachter: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!"
En ziedaar, de poortwachter werd omgedraaid, met zijn benen naar boven en zijn hoofd op de grond!
Ze kon nu ongehinderd door de poort de tuin ingaan en rolde tot bij een fontein, die midden in de tuin stond.
Daar verliet ze de meloen, nam een bad in de fontein en kamde haar haar, dat eruit zag als gouddraad.
Toen plukte ze de kostelijkste vruchten, stopte die in de zak, kroop weer in de meloen en rolde de tuin weer uit, terwijl ze de zak met zich mee schoof.
Toen ze bij de poortwachter was aangekomen zei ze: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!"
Meteen stond de poortwachter weer gewoon op zijn voeten en hij kon van verbazing geen woord uitbrengen.
 
De tuinman merkte dat er iedere dag rijpe vruchten uit de tuin verdwenen, zodat hun aantal van dag tot dag begon af te nemen.
De prins kwam zelf om de zaak te onderzoeken, maar ook hij moest vaststellen dat er iedere dag minder vruchten waren.
Hij riep de poortwachter met luide stem en dreigde hem met de woorden: "Hé jij, eet jij het fruit uit mijn tuin op, ja of nee?!"
De poortwachter antwoordde bedremmeld: "Nee Majesteit, ik zweer bij God dat ik niets genomen heb!"
"En hoe komt het dan dat er fruit verdwijnt?" vroeg de prins verder.
De poortwachter antwoordde: "Majesteit, ik wil u graag vertellen wat ik heb meegemaakt, maar ik ben bang dat u mij niet zult geloven."
Maar de prins verzocht hem zijn verhaal te vertellen met de woorden: "Spreek dan eindelijk, poortwachter!"
En toen vertelde de poortwachter:
"Uwe Majesteit, iedere dag komt er een watermeloen bij de poort en zegt tegen mij: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!" En dan kom ik op mijn kop te staan!
En zolang ik op mijn kop sta, kan ik mij niet verroeren en niets zeggen.
Maar de watermeloen rolt dan de tuin in en een mooi jong meisje kruipt eruit, gaat naar de fontein om zich te baden en dan kamt ze haar gouden haar.
Daarna plukt ze de mooiste vruchten uit uw tuin, stopt die in haar zak, kruipt zelf weer in de watermeloen en rolt dan naar mij toe, terwijl ze de zak met zich mee schuift.
Dan zegt ze: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!", waarop ik weer op mijn voeten kom te staan.
De meloen rolt dan met de zak vol vruchten de poort uit."
 
De prins zei tegen de poortwachter: "Dat is een vreemd verhaal.
Als het allemaal gelogen is, zal ik je zwaar straffen, maar als je verhaal waar is, wacht je een grote beloning.
En ik wil weten wanneer zij weer komt."
De poortwachter verzekerde de prins, dat ze altijd bij zonsopgang kwam.
 
En dus verstopte de prins zich de volgende nacht achter een muur in de tuin.
In de morgenschemering ontdekte hij werkelijk een watermeloen die aan kwam rollen en een zak met zich mee schoof.
Hij hoorde de meloen tegen de poortwachter zeggen: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!" En meteen stond de poortwachter op zijn kop.
De watermeloen rolde ongehinderd door de poort en een mooi jong meisje kroop eruit.
Zij ging naar de fontein, nam een bad en kamde haar gouden haar.
Daarna plukte ze de mooiste vruchten en vulde daarmee haar zak.
Toen kroop ze weer in de meloen en schoof die met zich mee naar de poort.
Daar aangekomen riep ze tegen de poortwachter: "Konder bonder, wat boven was, wordt onder!"
Ogenblikkelijk stond die weer op zijn voeten en kon geen woord uitbrengen.
Maar de prins volgde de watermeloen. Hij rolde tot aan het huis, waarin toen het jonge meisje zo snel verdwenen was, nadat hij haar waterkruik gebroken had.
 
Nog dezelfde ochtend vertelde de prins aan zijn moeder over de watermeloen en zei: "Ik wil met die meloen trouwen!"
De moeder zei bezorgd: "Wil je wis en zeker met een watermeloen trouwen, mijn zoon, met een watermeloen? Ik gun je een echte prinses, een koningsdochter. Ik zoek de allerbeste voor je uit, maar je kunt toch niet met een watermeloen trouwen?"
Maar de prins riep boos: "Moeder, mijn besluit staat vast! Kom je mee naar de ouders van het meisje of niet?"
Zij jammerde verder: "Mijn lieve zoon, wat zullen de mensen over ons zeggen en wat moeten we onze bedienden vertellen? Ach, moge God mij helpen!"
 
Ondanks alles ging de moeder, hoewel ook onwillig, met de jonge prins mee naar het huis, waar de watermeloen naartoe gerold was.
Op hun kloppen opende de vrouw de deur en zij sprak hoogst verbaasd: "Bent u daar weer, mijn heer, wij hebben werkelijk geen dochter."
De prins antwoordde: "Ik weet het."
"Wij hebben niets dan een watermeloen" ging de vrouw verder. "Wilt u die misschien hebben?"
"Goed" zei de prins, "Ik neem die watermeloen mee en geef u haar gewicht in goud."
De man en de vrouw keken elkaar sprakeloos aan en dachten dat ze droomden.
Maar natuurlijk namen ze het voorstel van de prins aan en gaven hem de watermeloen.
Die woog de watermeloen tegen goud af en de man en de vrouw verheugden zich zeer.
 
Nadat de prins met zijn moeder en de watermeloen in het paleis was teruggekeerd, liet hij een speciale kamer voor de watermeloen inrichten. Hij legde haar in een kast en gaf zijn bedienden het volgende bevel: "Niemand, maar dan ook niemand, mag deze kamer binnengaan behalve mijn moeder!"
Iedere avond nam hij de watermeloen uit de kast, nam haar in zijn armen, streelde haar liefdevol en sprak:
"O mijn geliefde meloen, spreek met mij, laat mij slechts één woord van je horen!
Kom eruit, want ik wil je graag zien!
Ik wil voor altijd jouw dienaar zijn!"
Maar de watermeloen antwoordde niet en de prins legde haar voorzichtig terug in de kast.
 
Van nu af aan kwam de koninginmoeder iedere ochtend in de kamer van de watermeloen, opende de kast en keek naar haar.
Iedere keer zei ze: "Wat een ongeluk! Wat moet ik met je doen?
Moet ik je openbreken en je aan de eenden en ganzen voeren?"
Dan nam ze de watermeloen uit de kast en sprak zuchtend:
"Och mijn arme zoon, wat een ongeluk, wat een lot, dat je op een watermeloen verliefd geworden bent!"
Daarna schopte ze naar de watermeloen en sloeg haar.
Ten slotte legde ze de watermeloen terug in de kast, ging de kamer uit en sloot de deur.
Dit herhaalde de koningin iedere dag.
 
Zo verging de tijd.
Nu gebeurde het, dat een machtige koning voor zijn dochter een bruiloftsfeest voorbereidde en hij nodigde alle koninklijke hoogheden uit de omgeving uit.
Zoals jullie weten, duren bruiloftsfeesten van koningen een week en sommige zelfs een hele maand lang.
 
De koninginmoeder zei tegen haar zoon: "Als je met een mooie prinses van je eigen stand was getrouwd, kon ze nu met jou naar het feest gaan en je tot eer zijn."
De prins zweeg en maakte zich samen met zijn moeder op weg naar het feest.
 
De watermeloen wachtte tot moeder en zoon vertrokken waren.
Toen kroop het mooie jonge meisje door de schil van de meloen naar buiten, trok een prachtig kleed aan, kamde haar gouden haren en deed kostbare sieraden om.
Toen haastte ze zich naar het feest en ging precies naast de moeder van de jonge prins zitten.
Die keek haar aan en zei: "Bij God en zijn Profeet, je ben heel mooi, dochtertje!
Wat zou het toch mooi zijn, als je mijn zoon mocht toebehoren!"
En toen vroeg de koninginmoeder: "Wie ben je, mijn kind? Wiens dochter ben je? Je bent zo wonderschoon!"
Daarop antwoordde het meisje: "Ik ben de dochter van het ongeluk en stam uit de familie van de verworpenen."
En de koningin antwoordde vol bewondering: "Het is mij een grote eer je te leren kennen, mijn kind. Ik hoop bij God dat je morgen weer naar het bruiloftsfeest komt."
De prins had de watermeloen weliswaar iedere dag gesmeekt toch met hem te spreken en zich te laten zien, maar het was vergeefs geweest.
Nu zei de koninginmoeder tegen hem:
"Bij de profeet, ik heb een wonderschone bruid voor je gezien.
Ze is de dochter van het ongeluk en stamt uit de familie van de verworpenen.
Je moet met mij meekomen om haar te zien, werkelijk, je moet meekomen. – je mag deze gelegenheid niet voorbij laten gaan!"
En zo bond de prins zijn paard vast, volgde zijn moeder en zag wie daar naast zijn moeder zat: het meisje uit de watermeloen!
Hij was buitengewoon verheugd en kon zijn geluk nauwelijks bevatten.
 
Zonder dat iemand het merkte spoedde hij zich terug naar zijn paleis.
Hij liep vlug naar de speciale kamer, opende de kast, pakte de lege schil eruit, sneed die in stukken en voerde er de eenden en de ganzen mee!
Toen klom hij zelf in de kast, verborg zich erin en wachtte de avond af.
Toen het jonge meisje terugkwam van het bruiloftsfeest en haar kamer binnenging, vond zij tot haar verbazing kleine stukjes meloenschil op de vloer.
Ze wilde in de meloen terug kruipen, opende de kast – en ontdekte daarin de prins. Ze schrok vreselijk en wilde vluchten.
Maar de prins versperde haar de weg zodat ze niet weg kon lopen.
Hij sprak zachtjes met haar om haar te kalmeren en ze luisterde graag naar zijn kalme stem.
 
De koninginmoeder hoorde stemmen uit de speciale kamer en omdat ze wilde weten wie er met haar zoon sprak, opende ze de deur en ontdekte de mooie prinses, die op het bruiloftsfeest naast haar had gezeten.
Ze was ten hoogste verbaasd en sprak: "Hoe kom jij hier?
Jij bent toch degene die bij het feest naast mij zat?
Waarom ben je hier naartoe gekomen? Dat is toch niet te geloven?"
 
Het meisje antwoordde: "Ik ben de watermeloen, die u iedere dag geslagen en geschopt hebt!"
Toen schaamde de koningin zich en berouwde wat ze had gedaan.
Zij verontschuldigde zich met veel woorden bij het meisje uit de watermeloen en vroeg om vergeving.
Na een tijdje zei ze vragend: "Het is mijn wens, dat je met mijn zoon trouwt – hij houdt erg veel van je en wil alleen met jou trouwen."
Daarin stemde het meisje toe en de moeder omarmde haar.
Niet lang daarna werd de bruiloft met veel pracht gevierd.
Jullie weten wel dat de bruiloftsfeesten van koningen een week duren en sommige zelfs een hele maand!
De prins en het meisje uit de watermeloen leefden gelukkig en tevreden met elkaar tot aan hun levenseinde.